De naam mammoet zou afgeleid zijn van het Estlandse 'aardmol' (ma = aarde en muth = mol). Mammoeten onderscheiden zich van andere slurfdieren door hun gekromde slagtanden en kiezen die zijn voorzien van lamellen.
Door vondsten uit de permafrost van Siberië is veel bekend over de leefomgeving en het uiterlijk van de wolharige mammoeten. Het was de kleinste van de mammoeten die in Nederland hebben geleefd. Wolharige mammoeten leefden op de uitgestrekte grassteppe, die van het uiterste oosten van Siberië tot Engeland in het uiterste westen liep. Deze mammoetsteppe liep in feite via Alaska door over het gehele noordelijke halfrond en had dus een circumpolaire verspreiding. De wolharige mammoet was goed aangepast aan het droge en koude klimaat. Enkele aanpassingen zijn het relatief kleine lichaam, de kleine oren en de sterke beharing.